Tureluurster/ januari 21, 2020/ Schrijftips/ 0 commentaren

Het item waar ik in mijn cursussen het meest tijd aan spendeer, is het vertelperspectief.
‘Stel je voor,’ zeg ik dan, ‘dat je het verhaal gaat schrijven van Jan en Marie die gehomejackt worden door een griezel met een snor. Dan heb je – qua standpunt – keuzes zat. Marie of Jan kunnen het verhaal vertellen in de ik-vorm. De verteller kan het verhaal brengen vanuit het standpunt van één van de twee (hij/zij-vorm). Of die verteller kan alweter worden en zowel de visie van Jan, Marie  en de griezel belichten (hij/zij-vorm). Enkel en alleen het standpunt van de griezel gebruiken (in de ik- of in de hij-vorm) kan in dit geval niet, want dan krijg je NIET het verhaal van Jan en Marie, maar het verhaal van de griezel.’
Simpel, niet waar? Je moet alleen maar kiezen. 

En daarmee begint de miserie… Welk perspectief hoort bij welk verhaal?
Grosso modo kunnen we stellen dat verhalen waarin veel personages meespelen, of die zich uitstrekken over een flink aantal jaren, een alwetende verteller nodig hebben. Het verhaal van Jan en Marie daarentegen – beperkt in tijd, ruimte en aantal personages – zal doorgaans beter werken als het verteld wordt vanuit het standpunt van een van de personages. Kies je voor de man, dan zal hij het meest sympathie krijgen van de lezer, ga je voor de vrouw, dan zal zij de harten veroveren.
Waarom? Omdat je (als niet-alweter) enkel in het hoofd kan van degene wiens standpunt je kiest. Over hem/haar zal de lezer dus veel meer te weten komen dan over de andere partijen. En – zoals strafrechtadvocaten heel goed weten: hoe meer je te weten komt over de drijfveren van iemand, hoe makkelijker het is hem/haar te begrijpen. 
Nog steeds simpel, lijkt me. 

Wat je wel moet incalculeren is dat je perspectiefkeuze ook je taal bepaalt. En dan wordt alles ineens een pak minder simpel.
Maar dat is voor een volgende keer. De lucht ruikt naar lente, en in mijn tuintje is het eerste krokusje opgedoken. Dat gaat nu even voor…

 

Deel dit bericht

Reageer hier