Tureluurster/ januari 28, 2020/ Schrijven en ik/ 2 commentaren

Het zal je maar gebeuren, om als tienjarige bovenstaand briefje op de mat te vinden. Op een zondag nog wel – wat betekent dat de schrijfster voor dag en dauw haar bed uit glipte om je te verrassen. Je zou voor minder op wolkjes lopen…

Ik moet een jaar of veertien geweest zijn, toen Mirjam uit mijn klas haar eerste liefdesbriefje kreeg. Een slecht geformuleerde ode aan haar heuplange blonde haar, haar reeënogen en haar zoetgevooisde stem. Nog geen maand later viel Marijke in de prijzen.
Ik – met mijn zwembandjes en mijn koperkop – bleef verweesd achter, droomde van een witte raaf die doorheen mijn mislukte verpakking kon kijken, snakte naar een gedichtje in een hartjesenvelop.

Tevergeefs… Dag na dag liep de postbode ons huis voorbij.
Ik overwoog om zelf het initiatief te nemen, durfde niet. Waar ik vandaan kom, werden meisjes die (openlijk) initiatief namen op liefdesvlak, beschouwd als lellebellen. Wat een lellebel was, wist ik niet, maar ik wist wél dat ik niet zo iemand wilde zijn.
Ten einde raad schreef ik dan maar een briefje naar mezelf. In een verwrongen handschrift, op roze papier, ondertekend met xxx.  Het papier en de bijhorende envelop kostten me een week zakgeld, maar de investering loonde.
   ‘Zoals die schrijft’, zei Marijke. ‘Het lijkt wel een échte dichter.’
   Mirjam kon dat alleen maar beamen.

En ik?
   IIk knikte, zweeg en droomde voort: van een echte brief – mét taalfouten. Want wees serieus, wie ligt daar wakker van als het om liefde gaat?

 

Deel dit bericht

  1. Raymond formuleert dat even mooi maar anders: ‘Meneer de postbode, heb jij voor mij geen brief, van één of ander lief, want ik zit hier maar… Meneer de postbode, doe mij eens een plezier, en kijk of er niks bij is, voor deze jongen hier…’

    1. Dat is er eentje (denk ik) dat ik niet ken, zal het eens googelen…

Reageer hier