Tureluurster/ augustus 27, 2019/ Schrijftips/ 2 commentaren

‘Is het nodig dat ik de omgeving beschrijf?’
Het is een vraag die ik vaak geserveerd krijg, en er is geen eenduidig antwoord op.

Volgens de kluitjestheorie mag je – als je het juiste kluitje gebruikt – beschrijvingen overboord gooien, omdat je kluitje alles oproept wat je lezer nodig heeft. Klinkt heel verleidelijk, want veel schrijvers hebben een hekel aan beschrijvingen. Veel lezers trouwens ook.
Jammer genoeg klopt die theorie niet helemaal.

Eerst iets over kluitjes
Het werkgeheugen van de mens kan slechts een paar elementen tegelijk vasthouden. Een stuk of zeven, dacht men eerst. Maximum vier, zegt men nu. Met andere woorden: van een ellenlange beschrijving blijft nauwelijks iets hangen. Gelukkig is de rest van de hersenen uitgerust met een oplossing voor dat knelpunt. Hersenen kunnen ideeën verpakken in almaar grotere eenheden, die door de psycholoog George Miller chunks werden genoemd, kluitjes dus. Elk groter geheel neemt in het werkgeheugen één plaats in, ongeacht de hoeveelheid informatie die erin is vervat.

‘Kerk’ is bijvoorbeeld zo’n kluitje. Er zit wierook in, biechtstoelen, heiligenbeelden, hosties en nog oneindig veel meer.
Woont het personage in je verhaal een gebedsdienst bij, dan heb je absoluut voldoende aan dit  kluitje.
Wordt je personage in die kerk achternagezeten door een bloeddorstige seriemoordenaar, dan voldoet je kluitje waarschijnlijk niet. Elke lezer ziet immers voor zijn geestesoog een andere kerk. Gebruik jij (voor jezelf) het grondplan van de Gentse Sint-Niklaaskerk, terwijl de lezer zijn eigen dorpskerk ziet, dan zal hij de capriolen van je personages niet kunnen volgen, en zal je een duidelijker context moeten schrappen.

Dus… geen zin om kerken te beschrijven? Laat je personages dan bidden in plaats van moorden!

(Meer van dit soort theorieën vind je in ‘Je verhaal in de juiste taal’.)

Deel dit bericht

  1. Dank je wel Ingrid om ons te herinneren aan dit ‘kluitje’!

    1. Graag gedaan, Chantal!

Reageer hier