De kronieken van liefde, lust en afzien – Iradj – 10

Tureluurster/ mei 8, 2024/ Geen categorie/ 0 commentaren

Het duurde ruim drie weken voor ik Iradj terugzag, en heel die tijd liep ik rond met een maag waarin een kwaaie krab was terechtgekomen. Ik had geweten dat hij getrouwd was, en dat hij kinderen had. Dat had hij me verteld tijdens het etentje bij Urfa. De rest had ik zelf ingevuld: heroïsche zoektocht eindigt met sprookjeshuwelijk. Drie roze wolkjes erachter. Kortom: ik had me laten vangen door mijn eigen fantasie, door mijn eigen wensdromen. Ons ma was inderdaad een betere interviewer dan ik!
Iets van al dat gepieker moet op mijn gezicht te lezen geweest zijn, want Iradj speelde er meteen op in. ‘Dacht je dat ik met Narges getrouwd was?’
‘Ja.’
‘Zal ik verder vertellen?’
‘Graag.’
‘De dag nadat ik haar had gezien op de markt, was een keerpunt,’ begon hij. ‘Toen ik de volgende morgen arriveerde bij Farnaz was die compleet over haar toeren. Ze had bezoek gekregen van de politie. Of ze hulp kreeg van een zekere Iradj, en of ze hem aubergines had laten kopen bij de tuin van Allah? Ze had hen haar groentemandje laten zien. Er lagen twee stuks in. “Nog een geluk dat ik altijd aubergines in huis heb,” zei ze. “En, o ja, ze vroegen ook of je poëzie schreef.” Ik antwoordde dat ik het niet wist. “Iradj, waar ben je mee bezig?”
“Gedichten schrijven. Meer niet.” Ik deed de afwas, veegde de vloer, en ging naar huis.

Ook daar hadden ze de politie op bezoek gehad. Waar hun jongste zoon zich zoal mee bezighield. Mijn moeder had – naar waarheid – geantwoord dat ik vrijwilligerswerk deed en poëzielessen volgde. Ze hadden om bewijzen gevraagd. Omdat ze niet wist waar ik mijn gedichten bewaarde, had ze hun het adres gegeven van het zaaltje waar we samenkwamen.
Mijn vader wenkte me naar buiten. “Jongen, is er iets wat ik moet weten?”
Ik twijfelde, vertelde hem tenslotte over het meisje, hoe ik maandenlang markten had bezocht om haar te vinden, dat ik haar gisteren eindelijk had gezien, en dat ik was aangesproken door een agent die samen met Aman in het leger had gezeten.
“Aman.” Er schoof een schaduw over zijn gezicht. “Wie is dat meisje?” vroeg hij.
“Op het plaatje bij de deur staat Jafari, en haar huis is bijna een kasteel.”
Hij knikte, nadenkend. “Ik zal eens informeren. Jij houdt je intussen gedeisd. Ik gebied het je. Begrepen?”
Ik beloofde het met graagte. Mijn vader was niet boos geworden, en hij had me niet uitgelachen. Integendeel, hij wilde me helpen. Ik voelde me weer hoopvol. Een zware vergissing, want nog voor het einde van de maand zou ik uit mijn eigen leven gegooid worden …’

Deel dit bericht

Reageer hier