Zot zijn enzovoorts… 14 – Mikken als de beste…

Tureluurster/ juni 23, 2022/ Schrijven en ik/ 4 commentaren

Mijn lief installeerde zich knusjes (hij zou dat woord blijven gebruiken tot het op was) in bed. Ik bleef buiten, maakte foto’s van de maan, schreef een slecht gedicht in het zand, veegde het uit, las verder in De Cirkel. Alles was beter dan opgesloten te zitten in die doodskist.
Uiteindelijk was de kouder wordende zeewind niet meer te harden, ook niet met een derde trui. Ik ging in het busje zitten, op de voorbank. Bovenop de regenjassen en de vouwemmer. Behoorlijk oncomfortabel.
Ontheemd, dat was hoe ik me voelde.

Onbestemde tijd later wrong ik me tussen de voorstoelen door, en gleed in bed.
Mijn lief, al een hele poos onder zeil, rolde naar me toe. ‘Hoe laat is het?’
‘Gat in de nacht.’ Ik perste me tegen de koelkast (zodat hij het niet meer hoefde te doen), kneep mijn ogen toe en stelde me voor dat ik elders was. Het hielp. Ik viel in slaap.
Voor even, en even, en even…
Bij de tiende ‘even’ was het prijs. Ik ‘moest’. Dringend. Had ik het uitgelokt? Had ik het ‘gedoemdacht’? (bestaat niet, weet ik. Doemdenken kan niet worden vervoegd, maar het woord klinkt lekker, en past perfect bij gat in de nacht). Ik draaide van rechts naar links, toen weer naar rechts, probeerde het nijpende gevoel te negeren.
Tevergeefs.

Als kind wilde ik geen meisje zijn. Meisjes waren ‘stom’. Ze speelden de verkeerde spelletjes, droegen de verkeerde kleren, snotterden te veel, moesten baby’s en borsten krijgen, en hadden een toilet nodig om te plassen. Die aversie tegen meisje/vrouw was langzaamaan gesleten, maar daar, in dat donkere blik, met een blaas die op springen stond, keerde ze ineens terug. Waarom, in godsnaam waarom, was ik niet geboren als man? Dan had ik van bij de deur in het gras kunnen plassen (met zo’n mooie, boogvormige straal). Of in een fles. Of in de spoelbak, zoals in dat liedje van Bram Vermeulen.
Ik grabbelde naar mijn zaklamp, stootte een (plastic) glas om dat er niet had mogen staan.
‘Wat doe je?’
‘Niets. Slaap maar verder.’ Op mijn kont schoof ik naar de achterzijde van het bed, haalde de vouwemmer van onder de regenkleding.  Gaan zitten op die emmer was geen optie. Ik ben niet dik, verre van, maar met tien centimeter redde ik het toch niet. Ik zou dus rechtstaand moeten plassen – enfin, gekruld als een garnaal, want je kan niet rechtop staan in zo’n busje –  goed moeten mikken, en erop letten dat die emmer niet op het verkeerde moment dichtklapte. Hadden we écht 105 euro per nacht betaald om midden in de nacht aan dit soort van zelfkastijding te doen?!

En ineens was hij er weer, de slappe lach, met een ondertoon van hysterie. Ik gierde zoals ik in geen jaren had gegierd, tot de tranen over mijn kaken stroomden, en mijn lief ongerust informeerde of ik wel in orde was.
‘Kan niet beter!’ Toen plaste ik,  gekruld als een garnaal, steunend op de rugleuning van de voorstoelen. Recht in de lelijke, gele emmer die kranig rechtop bleef staan.
‘Wauw,’ zei mijn lief, zonder een spoor van ironie.
ja, wauw. Slechte motoriek of niet, mikken kon ik als de beste!

 

(wordt vervolgd)

 

Deel dit bericht

  1. Het begint hier ook danig op mijn lachspieren te werken

    1. Ik moet zelf ook nog altijd lachen als ik eraan terugdenk. Het was dat of in crisis gaan, denk ik…

  2. Hier durf ik geen commentaar op geven, alleen is het ‘waarom’ mij niet duidelijk, er zijn toch (propere) toiletten op een camping?

    1. Tja, Joos. Wat jij schrijft, klinkt makkelijk, maar is het niet. Zo’n busje heeft maar 1 zijdeur. Je moet dus over je partner heen kruipen, de deur openmaken (en dat maakt zoveel geluid dat iedereen rondom ook wakker is) en dan de hort op. In donker, kou en regen…

Reageer hier