Tureluurster/ mei 1, 2019/ Geen categorie/ 2 commentaren

Er was niets waar ik vroeger meer over zeurde dan over wind. Op de ene of de andere manier blies die altijd de kant op waar ik niet moest zijn. Reed ik ’s morgens naar school, dan wilde hij me thuis houden. Keerde ik ’s avonds huiswaarts, dan stuurde hij me terug naar de nonnen.

Op een miezerige maartavond ging hij helemaal over de schreef. Halverwege de gloednieuwe autostradebrug plukte hij me gewoon van mijn fiets en kwakte me tegen het beton. Wiel verbogen, knieën kapot, scheur in mijn anorak.

‘Gevochten?’ vroeg mijn vader toen ik veel te laat thuiskwam. Hij knipoogde erbij.
Ik keilde mijn boekentas in de hoek van de keuken en ging zitten mokken.
‘Hier.’ Hij gaf me een beker chocomelk.
Ik was te oud om te huilen, vond ik. De waterlanders dachten er anders over. ‘Die stomme wind,’ snikte ik, ‘altijd tegen. Altijd, altijd, altijd!’
Mijn vader keek me lang aan, liep naar de kast, smeerde een boterham. ‘Tegen windmolens kan je vechten,’ zei hij toen, ‘tegen wind niet. Je had terug moeten blazen. Dat doe ik ook altijd. Of het écht helpt? Nee, denk ik. Toch voelt het zo.’

Zestien was ik toen, en ik had hem kunnen schieten, maar hij had gelijk.
Het leven zit vol tegenwind, en zeuren helpt niet. Wil je niet ter plekke blijven trappelen, of wil je niet stranden op de verkeerde plek, dan moet je terug blazen, je eigen tegenwindje maken.
Helpt het? Nee, denk ik. Toch voelt het zo …

(tekening: Martine Van Audenhove)

Deel dit bericht

  1. Fijn dat je me hebt goedgekeurd, Marhilde

Reageer hier