De wijde wereld in – 2026 – Concarneau en meer …

Tureluurster/ augustus 20, 2026/ Geen categorie/ 0 commentaren

Bij thuiskomst in onze schuur controleerde ik direct mijn mail. Er was een bericht van Christine. Of ik haar alstublieft wilde bellen, en of ik ‘meneer’ erbuiten wilde laten. Ik kreeg een raar gevoel in mijn buik. Wat kon er zo erg zijn dat Didier het niet mocht horen? Die was intussen aan het avondeten begonnen. Ik gooide hem een kushandje toe en liep naar buiten.
Christine klonk bezorgd. ‘Delicate zaak,’ begon ze. En toen – zonder overgang – ‘Mevrouw Ingrid, bent u zeker dat uw man in orde is in zijn hoofd? Dat hij niet … Tenslotte heeft hij zijn leeftijd, hé?’
Mijn keel voelde kurkdroog. ‘Euh … We zijn de hele dag op stap geweest, en hij leek volkomen normaal. Waarom vraagt u dat?’
Er volgde een korte stilte. Toen zei ze zacht. ‘De sleutels zijn gevonden. Ze lagen in de bus van 3A. Uiterst rechts (in plaats van links) en helemaal onderaan. Meneer kan zijn arm niet opgetild hebben, tenzij hij op zijn knieën zat.’
Ik moest het even laten bezinken, en dat zei ik haar ook. Ze wenste me een bonne soirée. Er zat verdomme medelijden in haar stem.

Didier was tomaten aan het pellen. Volkomen normaal. Hij vertelde over een van zijn vrienden, die in nesten zat. Volkomen normaal. Daarna schonk hij mij een glas wijn in. Volkomen normaal. Er was niks mis met zijn hoofd. Met het mijne evenmin. ‘Christine belde,’ zei ik. ‘De sleutels zijn gevonden. Uiterst rechts. Helemaal beneden. Ze denkt dat er iets mis is met jou.’
‘En ik denk dat er iets mis is ginder in dat appartement,’ zei hij.
Daar lieten we het bij.

Onze laatste dag in Elliant trokken we naar Concarneau. De beroemde Ville Close, de ommuurde binnenstad, gebouwd op een stuk rots boven de haven, is – historisch en architecturaal gezien – een pareltje. Jammer genoeg komen er zo veel toeristen dat authenticiteit ver te zoeken is. Je kon er over de koppen lopen, van restaurant naar souvenirwinkel, van ijssalon naar pizzeria. We vluchtten al snel naar de haven (nauwelijks volk) voor een vroege lunch. Daarna zetten we koers naar Pont-Aven, via de kust. Alweer een rit om van achterover te vallen, langs dorpjes met onuitspreekbare Bretoense namen, en langs stranden die we voor ons alleen hadden.
Wat me het best bijbleef, is Trégunc. We passeerden er toevallig, want het wordt nergens vermeld. Een paar huizen, een haventje, veel zee, en door die zee een stenen pier naar een eilandje met vuurtoren. ‘Zouden we?’
Het leek een makkie. De pier was een goeie meter breed, ongeveer tweehonderd meter lang. Ik mispakte me eraan. Zolang we strand en keien naast ons hadden, ging het prima. Halverwege echter was er links en rechts niets anders meer dan kolkend water, en bleek een meter griezelig smal. De eerste de beste woeste golf zou me de dieperik kunnen insleuren. Het zweet stond in mijn handen toen we arriveerden. En ja, toen moesten we natuurlijk ook nog terug😉

(op de grote foto een plekje ergens tussen Concarneau en Pont-Aven; op de kleine: de zweethandjes-pier)

 

Deel dit bericht

Reageer hier