De wijde wereld in – 2026 – l’ aveugle et le paralytique

De Duitsers gingen naar Île d’Arz, onze eerste aanmeerplek. Wij voeren mee naar het verste punt: Île aux Moines. De wind wakkerde aan, de boot stuiterde over de golven, het was koud. Didier en ik kropen dicht tegen elkaar aan – romantiek met een rilrandje. Intussen trakteerde de Parisien ons op verhalen. Er stond geen rem op die man.
Ik weet niet hoe jullie ertegenaan kijken, maar zelf zou ik nooit op cruise willen. Beweging waaraan ik niet moet meewerken, is voor mij hetzelfde als stilstand. Wachten.
… En ja, de landschappen schoven, het water rimpelde, de wolken vormden telkens nieuwe formaties … Allemaal schitterend, dat wel, maar het duurde me te lang. Ik was blij toen we aanmeerden.
Île aux Moines deed me een beetje denken aan Île de Ré, van vorig jaar. Een paradijs voor wandelaars en fietsers. Witgekalkte vissershuisjes, 19de-eeuwse villa’s, oude molens en kapellen, bijna overal zeezicht. Buiten het seizoen wonen er 600 mensen, in de zomer een tienvoud.
… We lunchten in Locmiquel, een pittoresk dorpje, dicht tegen de haven. Daar bevindt zich ook het enige supermarktje van het eiland.
… Na de lunch gingen we op pad. We namen het rood bewegwijzerde pad naar een van de landtongen en combineerden het met een stukje van het kustpad dat rond het eiland loopt. Daar botsten we op een koppel vijftigers. De vrouw zat in een rolstoel. De man zat ernaast op de grond, en graaide in het zand. Ze zagen er allebei nogal opgefokt uit.
… ‘Problemen,’ vroeg Didier in het Frans. ‘Hulp nodig?’
… Het was de vrouw die antwoordde. ‘Graag. Toen mijn man zijn zakdoek wilde nemen, viel de sleutel uit zijn broekzak, en hij vindt hem niet meer terug.’
… Didier en ik gingen allebei door de knieën. ‘Daar,’ zei ik. De sleutel lag open en bloot te blinken naast het linkse wiel van de rolstoel. Ik raapte hem op, stak mijn hand uit naar de man. Die deed een poging om overeind te komen, maar nam de sleutel niet aan. Zijn handen gleden over de zijkant van de rolstoel, vonden hun weg naar de handvatten. Hij trok zich recht, bleef staan. Didier en ik keken elkaar aan. Toen zag ik de ogen van de man. Wazig lichtblauw met een soort van vliesje eroverheen. Ik nam zijn hand, stopte de sleutel erin. ‘Neem me niet kwalijk, meneer. Ik had niet door dat u blind was.’
… De vrouw lachte. ‘Ja, wij zouden het goed doen op het schilderij van Pieter Bruegel, de blinde die de lamme leidt. Ze opende de kleine koeltas op haar schoot, bood ons een flesje water aan. ‘Ik heb MS,’ zei ze, ‘en hij werd blind bij een arbeidsongeval. Sindsdien ben ik zijn ogen. Hij is mijn benen.’
… We werden er allebei stil van.