Levenstrein 42

Tureluurster/ juni 2, 2026/ Geen categorie/ 2 commentaren

Bezint eer ge begint … Wie die uitspraak ooit lanceerde, weet ik niet, maar mijn jongere ‘ik’ had er lak aan. Die jongere ‘ik’ werkte, studeerde, feestte, holde de benen vanonder haar lijf om toch maar niets te missen. Een doener, géén denker.

Bekeken door mijn huidige (oude) ogen nam ik onverantwoorde risico’s. Ik dwaalde ’s nachts op mijn eentje door de stad, en maakte er een sport van om mijn grote verplaatsingen al liftend te doen. Één keer reed een chauffeur van de weg af, en begon me te bepotelen. Ik wrong me los, stapte uit. Voor wie hij me hield? Of zijn moeder hem nooit manieren had geleerd. Toen draaide ik me om en liep terug naar de baan. Het gekke was dat ik helemaal niet bang was. Op de ene of de andere manier kon ik niet geloven dat er iets mis zou gaan. En dat gebeurde ook niet. De man keerde zijn wagen, kwam naast mij rijden. Dat het hem speet, dat hij niet wist wat hem had bezield.
Ik, stomme kiek, stapte weer in.

Was dit het verhaal van een ander, dan zou ik die ander zot verklaren. En toch liep het goed af. De man hield zijn handen thuis, maakte zelfs een omweg om me voor mijn deur af te zetten.
De magie van de jaren zeventig, nietwaar?

Of die avond dat Anita en Irene me vroegen of ik meeging naar een optreden?
Het swingde daar in dat zaaltje. Vijf jonge Engelsen (achteraf bleken het Schotten te zijn) die de ziel uit hun lijf speelden, niettegenstaande alle drank die ze naar binnen goten. Er zaten vooral jongens in het café. Het was dus niet abnormaal dat de bandleden na hun optreden aan onze vrouwelijke tafel kwamen zitten. Ze trakteerden er eentje, en nog één, en nog. Het werd vier uur.
‘I want to go for a walk on the beach,’ zei een van hen plots.
‘Ik ook,’ zei ik. Bij nacht op een strand, ik had het nooit gedaan, en het leek me fantastisch.
Een kwartier later waren we weg. Ik alleen met vijf jonge Schotten, want Anita en Irene bezonnen wel voor ze begonnen.

Ik werd wakker toen de auto stopte. We wandelden over een strand. Er voeren boten voorbij. Dat vond ik raar. Dan gingen we ontbijten in een grote villa, daarna slapen.
‘With the five of us or alone?’ vroeg die met het baardje.
‘Alleen,’ zei ik.
En dat was geen probleem. Ik weet dat het ongeloofwaardig klinkt, maar het was gewoon zo.

Rond zes uur ’s avonds waren we allemaal weer wakker. De mannen begonnen koffers te pakken. Of ik meeging naar Engeland. ‘Nee, ik moet morgen naar school,’ zei ik.
‘We have to catch the boat,’ zei die met het baardje.
Pas toen drong het tot me door dat ik niet wist waar ik was. ‘Waar zijn we?’
‘Calais.’
Frankrijk, dat wist ik. Hoe ver van Gent, dat wist ik niet. Nu wel😉 Er zat – denk ik – 20 frank in mijn portemonnee. ‘En hoe raak ik thuis?’
Ze konkelfoesden even. De man met het baardje liep naar de telefoon. Een kwartier later arriveerde er een witte limousine, die me helemaal van Calais naar Gent bracht. Een film in het echt!

Op kot trof ik Irene en Anita, allebei dodelijk ongerust. Daar hoorde ik ook dat ik de afgelopen uren had doorgebracht met de band Stealers Wheel, en dat de man met krullen en baardje Gerry Rafferty heette. Ik was in die tijd niet met muziek bezig. Het duurde tot Reservoir Dogs (Tarantino 1992) voor ik écht besefte dat ik iets unieks had meegemaakt.

Calais was mijn laatste ‘wilde evenement’. Niet zo veel later – op 20 mei, mijn verjaardag – ontmoette ik de man waarmee ik zou trouwen en die de vader zou worden van mijn kinderen. De stap naar het serieuze leven was gezet.

(Foto uit eigen archief. De feestbende van op kot. Ik sta uiterst links. De stola was gehaakt door mijn grootmoeder, ‘mit Vest’.

Deel dit bericht

2 Commentaar

  1. Een verhaal dat de moeite loont: spannend en zedig

    1. Ik heb geluk gehad, Herman. Ik had evengoed slechteriken tegen het lijf kunnen lopen, maar de jaren zeventig waren veel minder ‘hard’ dan nu. Met meer’hart’.

Reageer hier