Levenstrein 41

Tureluurster/ mei 28, 2026/ Geen categorie/ 0 commentaren

Hoe meer ik bezig ben met die jaren zeventig, hoe meer heimwee ik krijg. Vijftig jaar geleden zat de wereld nog  onwaarschijnlijk simpel ineen (en ik eveneens).
Voor het vak sociologie moest ik dat jaar het ACV in kaart brengen. Tja, hoe begin je daaraan?
Mocht ik vandaag die opdracht krijgen, dan zou ik het niet weten. AI – met kans op flaters? Een bezoekje aan een plaatselijk kantoor – na ettelijke tijdrovende telefoontjes met telkens weer hetzelfde ‘wachtrijbandje’?
In 1975 werkte ik gerichter. De enige die mij zou kunnen helpen (dacht ik) was de grote baas. Die wilde ik dus te pakken krijgen.
Naïef? Ongetwijfeld! Als dochter van een wever en een winkelierster had ik geen ‘lange arm’, geen ‘kruiwagen’. Ik vraag me zelfs af of ik het woord ‘connecties’ al kende;-) Misschien was die onwetendheid een pluspunt. Had ik toen in de wereld gestaan zoals ik er nu in sta, dan had ik me allicht laten buizen wegens ‘onhaalbaar’.
Toen echter, blaakte ik van zelfvertrouwen. Ik ging naar de boekentoren, vond daar zowel de naam van de voorzitter (Jef Houthuys) als zijn telefoonnummer, en trok me terug in de openbare telefooncel op het Sint-Annaplein – met een broekzak vol muntjes. En geloof het of niet … Ik kreeg Houthuys aan de lijn, en we maakten een afspraak. De week daarop spoorde ik naar Brussel en had ik een gesprek met hem. De big chief had onze ontmoeting zelfs voorbereid en van alles voor mij op papier gezet.
Denk aan de moeite die het heden ten dage kost om een simpele inlichting te krijgen van een openbare dienst, en je kan niet anders dan me gelijk geven: de jaren zeventig waren magisch!

Een nog verbazingwekkender verhaal is dat van het culturele evenement dat ik (voor het vak public relations) moest organiseren. Ik deed zelf nog niet aan Cultuur met grote C, maar dankzij onze uitstekende leerkracht Frans in de twee laatste jaren van het middelbaar had ik Georges Moustaki leren appreciëren. Die wilde ik naar Gent halen.
Mijn projectbegeleider fronste de wenkbrauwen, sprak van zelfoverschatting. Reden te meer om ermee door te gaan voor de Ingrid van toen. Hoe ik aan Moustaki’s adres geraakte, weet ik niet meer, maar ik herinner me nog héél goed hoe lang ik zwoegde op een brief in het Frans. Mét resultaat! De man antwoordde mij dat hij graag wilde komen, en dat hij het allerliefst wilde optreden in de opera. Dat ik die brief niet heb bewaard, beschouw ik als een doodzonde.

Wat volgt, is bijna een sprookje. Ik contacteerde de directeur van de Gentse opera (Lucien Van Eeckhout, denk ik) en vertelde hem wat ik van plan was. En die man … die ging gewoon akkoord. Serieus, dat is heden ten dage toch compleet onrealistisch?
Moustaki kwam naar Gent, de zaal zat vol (met dank aan mijn ex-juf Frans die drie busladingen scholieren meebracht), en ik dronk na afloop een glas met meneer Moustaki. Hij noemde mij ma petite bohemienne en gaf me een knuffel. Bewijzen zijn er niet. Niemand van de aanwezigen had een fototoestel.

Ik vraag me nog altijd af hoe ik zoiets op poten durfde te zetten. Hoe het mogelijk was dat zowel Moustaki als de operadirecteur mee gingen met de plannen van een nog-geen-twintiger die nergens verstand van had. Ik vraag me ook af hoe ik de tijd vond voor dat project, tussen werk, fuiven en verliefheden in.
En wat ik me nog afvraag: waar en wanneer raakte ik het geloof in mezelf kwijt?

(foto uit het archief van Etienne Van Puyvelde – De grafligger die na 105 dagen weer daglicht ziet)

Deel dit bericht

Reageer hier