Levenstrein 16

1966 was op politiek vlak wereldwijd een roerig jaar. In China start de culturele revolutie, bij ons is er voor het eerst een vrouwenstaking voor ‘gelijk werk, gelijk loon.’
… Ik had daar allemaal geen weet van. Het spannendste voor mij was ‘De overstroming’. Geweldig vond ik dat. In de Kerkstraat voeren er bootjes, de rabarber in onze tuin verdronk, op school raakten we niet meer in de turnzaal, en de boeken uit de bibliotheek dreven door de straten. Dat laatste nam de lol een beetje weg. Dat ik ooit schrijver zou worden, wist ik toen nog niet, maar ik was een lezer ‘pur sang’, en vermits er bij ons thuis geen boeken waren, was de bibliotheek voor mij levensnoodzakelijk. Het klinkt wereldvreemd en egocentrisch, dat besef ik.
… De bib werd opengehouden door onderpastoor Van Vlaenderen. Dat zal ongetwijfeld een goeie mens geweest zijn, maar ik vond hem saaier dan een dode pier. Hij was nauwelijks verstaanbaar (omdat hij een long miste, kwam ik later te weten), en hij hield zich strikt aan de leeftijdsregels. Gek werd ik ervan. Ik nam altijd ruim de tijd voor de bib. Op mijn hurken tussen de rekken las ik wat ik wilde lezen (altijd boeken voor oudere kinderen) en thuis las ik dan het ene boek dat ik voor mijn ene frank meekreeg.
… Lezen sleepte me mee naar onbekende werelden, lezen betekende avontuur, lezen gaf me een plaats in de wereld. Ik was een buitenbeentje, leerde ik in dat fameuze jaar 1966. Ik lag beter in de markt bij gepensioneerden dan bij leeftijdsgenoten. Ik was te dik. Ik droeg niet de juiste kleren. Wilde je hip zijn in 1966, dan ging je naar school in een anorak. Nu – op dit moment in mijn leven – kan ik me weinig lelijkers voorstellen dan zo’n lompe anorak, maar toen snakte ik ernaar. En nee, ik kreeg er geen. Ik ging naar school in een jas die mijn moeder gemaakt had uit een ouwetje van tante Cecile. Er zijn geen foto’s van, maar volgens de huidige normen was ik allicht avantgardistisch😉
Ik kreeg ook mijn eerste eigen fiets. Een afdankertje van tante Nelly, waarop ik rechtopstaand moest fietsen omdat ik zittend niet bij de pedalen kon. Het deed er niet zo veel toe. Ik had jonge benen en jonge energie, nietwaar?
(foto uit het archief van Etienne Van Puyvelde – overstroming)
Onze pa heeft daar nog verbleven
Serieus, Lut? Dus jij kende dat ook?
Knappe evocaties van heel veel toestanden die ik ook zelf heb meegemaakt. Mijn tante Marcella en nonkel Jules woonden op de hoek van het smalle straatje naar het “armenhuis”.
Merci, Herman!
Dat ‘armenhuis’, daar heb ik geen herinneringen aan. Wat was dat precies?
Ingrid
Tegenover de jongensschool in het smalle straatje dat nu het Marollenstraatje is, was vroeger een grote poort die toegang gaf tot een groot binnenplein waaraan een gebouw stond. Daar verbleven mensen die niet in staat waren voor zichzelf te zorgen, vaak mensen die echt arm waren. Wezen ook zonder familie.
Er waren een paar zusters van de “Maricolen” die voor hen zorgden. Er was ook een boerderij aan verbonden. De gemeente had de plicht voor die mensen financieel op te komen.. H.
Ik hoop dat je mijn antwoord gekregen hebt. H.