Levenstrein 13

In 1964 ondertekent president Johnson in de Verenigde staten de Civil Right Act, een verbod op rassenscheiding. Of dat – uitermate belangrijke – feit doordrong tot bij ons thuis, weet ik niet. Hoe dan ook, ik was negen, geloofde nog in Sinterklaas en had nooit een zwarte medemens gezien die geen Zwarte Piet was. Juffrouw Emily had ons wel foto’s getoond van negerkes (en ja, ik weet dat het woord niet meer mag worden gebruikt, maar in die tijd was dat de standaarduitdrukking). Negerkes waren arme schaapjes die we konden redden met gebed en zilverpapier. Chocolade eten werd dus een goede daad😉
Ons moeder sloot de winkel één week per jaar, tijdens de zomerse kermisperiode. Het was de enige week dat we soms op uitstap gingen. Ik hoopte op een dagje zee. Het jaar daarvoor had ik die voor het eerst gezien, en na een jaar was ik nog steeds niet bekomen van die oneindigheid aan water. In 64 koos ons ma voor Brussel. Daar woonde haar lievelingsnicht, Jeannine, en die wilde ze graag bezoeken. Ik mocht mee, de kleintjes bleven thuis bij ons pa.
… Jeannine en haar familie woonden in het centrum, niet ver van de Innovation. Na de pistolets met kaas en hesp en een stuk fruittaart trokken we ernaartoe.
… Ik kon het niet zo goed vatten. Een winkel met een verdieping had ik nog nooit gezien. De Inno had er drie of vier, en het grondoppervlak leek groter dan een voetbalveld. Bovendien verkochten ze er ALLES. Van kleren tot eau de Cologne, van speelgoed tot oorbellen, van haardrogers tot salons. Alles in zelfbediening. Je mocht overal aankomen en alles zelf uit de rekken nemen.
… En het strafste van al? Er waren roltrappen! Magische dingen die je – zonder dat je er moeite voor moest doen – naar boven en beneden brachten. Dit moest de hemel zijn!
Daar, in dat paradijs, zag ik voor het eerst een zwarte meneer. Hij stond op die magische, rollende trap en daalde mijn richting uit. Hoewel hij (in mijn ogen) de verkeerde kleren droeg, een gewone lange broek en een hemd – géén pofbroek en géén baret – kon het niemand anders zijn dan een verloren gelopen Zwarte Piet. In paniek dook ik weg, en verstopte me achter mijn moeder.
… Er is later nog veel mee gelachen, met mijn schrikreactie van dat moment, maar ik heb er als kind nog maandenlang van gedroomd. Mijn allereerste trauma?
(foto uit het archief van Etienne Van Puyvelde. Met Cyriel Van Eynde als Prins Carnaval 1964)
(wordt vervolgd)