Levenstrein 11

Tureluurster/ februari 12, 2026/ Geen categorie/ 0 commentaren

1963 begon met zware vorst en veel sneeuw; de kou hield weken aan. Maas en Schelde vroren dicht, de binnenscheepvaart viel stil.
Elke morgen ontwaakten we met ijsbloemen op de ramen, onze adem zweefde als wolkjes door de kamer. De kachels draaiden overuren. We hadden er twee: een ‘continue’ in de leefkamer, en een klein potkacheltje in de keuken. De rest van het huis was niet verwarmd, ook de winkel niet. Ons ma lanceerde een noodplan. Gewoonlijk leidde ze de klanten die kleren moesten passen naar ‘de schone plaats’. Nu mochten ze in de woonkamer komen. Wij werden dan naar de keuken verbannen.
Wat me uit die periode vooral is bijgebleven, zijn de sleetochtjes met mijn pa. Ingeduffeld als een Eskimo naar ‘den bergop’, slieren op de Wal, daarna bergaf met de slee. Ons pa stond dan op wacht bij het kruispunt aan bakker De Vriese om eventueel aankomende auto’s tegen te houden. Bij mijn weten is dat nooit nodig geweest.

Op moederdag van dat jaar stierf mijn peter – Albert, de vader van ons pa. Een stille mens die er nogal streng uitzag. Hij praatte nog minder dan mijn vader, werkte elke avond op zijn stukje land, en bracht zijn vrije tijd door in zijn duivenhok. Tegen die beestjes praatte hij wél, rare woorden die ik niet verstond. Duiventaal, dacht ik toentertijd.
Toen ik op moederdag de slaapkamer binnen trippelde om mijn op school geknutseld cadeautje af te geven, lag ons ma nog in bed. Ons pa stond bij het raam en staarde naar de lucht. ‘Uw peter is dood,’ zei ons moeder. Hij is naar de hemel vertrokken.’
Ik ging bij ons pa staan, en keek ook naar boven. ‘Waar is hij? Ziet ge hem?’
Hij antwoordde niet. Ik trok aan zijn mouw. Hij draaide zich naar mij toe, en ik zag dat hij weende. Ik was daar even niet goed van, had niet eens geweten dat grote mensen kónden wenen!

(op de foto mijn grootvader en grootmoeder langs vaders kant, zoals ik ze nooit heb gekend)

(wordt vervolgd)

 

Deel dit bericht

Reageer hier