Levenstrein 9

Tureluurster/ februari 9, 2026/ Geen categorie/ 0 commentaren

1961 was een jaar met behoorlijk wat impact. Er wordt gestart met de bouw van de Berlijnse muur, Joeri Gagarin gaat als eerste mens de ruimte in, John F. Kennedy wordt president van de Verenigde Staten, hier bij ons wordt de strijd tegen de verfransing in gang getrokken met de eerste Vlaamse marsen op Brussel, en wordt de ‘voorrang van rechts’ geïntroduceerd.

Ons pa moet dat allemaal geweten hebben. Die las elke dag Het Volksken, van voor naar achter en van achter naar voor, en hij had een ijzersterk geheugen, al ben ik dat pas te weten gekomen rond mijn twintigste. We waren met een paar vrienden aan het quizzen, en hij verraste vriend en vijand door vanachter zijn krant vier van de vijf vragen te beantwoorden die wij hadden gemist. ’t Was moeilijk om hoogte te krijgen van hem. Hij zei thuis niet zo veel.
Ik deed in1961 mijn laatste jaar kleuterschool – in een alleen-voor-meisjes-klas. Vanaf de nobele leeftijd van zes werden jongens en meisjes te groot bevonden om samen les te volgen. De jongens kwamen bij juffrouw Leontine terecht, de meisjes bij zuster Gervasia.

Mijn moeder draaide overuren in haar winkel, knipte mijn haar om minder tijd te verliezen ’s morgens. Toen ik mijn krullen op de vloer zag vallen, weende ik even hard als toen mijn voet tussen de spaken terecht was gekomen.
Rond die tijd begon ik me min of meer bewust te worden van de wereld rondom, en van de patronen die in elk leven opduiken – toen meer dan nu.

Maandag was wasdag. Zwaar labeur! Witgoed en overalls koken in een teil op het vuur, schrobben, spoelen, wringen, hopen op zon en voldoende wind om te drogen. Zo niet fungeerde de keuken als droogkamer, en was er dagenlang geen plek om te bewegen. Kleurgoed werd gesorteerd en stuk per stuk uitgewassen. Ergens tegen het eind van de jaren zestig zou ons ma een zwierder kopen, een krakkemikkig geval waar ge bovenop moest gaan zitten, anders danste hij de hele keuken rond en zette die onder water. De wasmachine zou bij ons pas haar intrede doen in de jaren zeventig.
Woensdag was mit-Statie-dag. Dan mocht ik na school, aan de hand van een van de meisjes van het zevende of achtste leerjaar naar mijn grootouders. Pure zaligheid. Mit bakte altijd frieten als ik er was, ik mocht spelen op den bergop en bij slecht weer mocht ik helpen in het café, in de winkel of in de keuken. Boter mengen bijvoorbeeld. De helft ‘goeie boter’, de helft margarine, beetje peper en wat zout. Even lekker als het echte spul en de helft goedkoper.
Vrijdag was vis- en kuisdag. Van zodra ik genoeg kracht had in mijn armen was het mijn taak om emmers water te pompen. Op leidingwater zouden we moeten wachten tot de verbouwingen van 1973.
Zaterdag was soepdag. Dan werd er niet gekookt, en aten we ’s middags verse soep en ’s avonds pistolets.
Ook zondag had zijn vaste patroon. De Sparta, de kerk, zondagse kleren, zondagse kost en na de middag een wandeling langs de Durme of op de heide en daarna gaan eten bij mit Statie.

Als ik erop terugkijk, lijkt het me het toppunt van saaiheid. Toch heb ik het in mijn kindertijd nooit zo ervaren.

(wordt vervolgd)

Deel dit bericht

Reageer hier