Levenstrein 4

Volgens AI was 1958 een scharnierjaar. China begint aan zijn ‘grote sprong voorwaarts,’ In Amerika wordt de NASA boven de doopvont gehouden, in Frankrijk komt Charles De Gaulle aan de macht, bij ons, In België wordt het Atomium gebouwd voor de wereldtentoonstelling: EXPO 58. Allemaal zaken die ik later tijdens de les geschiedenis opgelepeld zou krijgen.
Of ze in huize Verhelst interesse hadden voor buitenlandse politiek, weet ik niet, maar die wereldtentoonstelling, daar is later nog veel over gepraat. Ons moeder ging er naartoe met haar oudste zuster en een nicht. Het was haar eerste bezoek aan Brussel, en ze was zwaar onder de indruk. ‘Een andere wereld,’ noemde ze het. ‘Iets uit de boeken. En die bollen van het Atomium. Ge kunt u niet voorstellen hoe schoon die blonken!’
Ons vader ging niet mee. Die bleef thuis, bij mij. En nee, dat was geen opoffering. Heel zijn leven heeft mijn pa zich het best gevoeld binnen de dorpsgrenzen. Op uitstap gaan, dat was een straf voor hem. Het zou me niet verwonderen dat hij me die dag meegenomen heeft op café. Het was ook hij die me een jaar of twaalf later mijn eerste pint trakteerde. In de Roxy (op de Vierschaar) was dat. ‘Maar Grietje, toch. Drink nu toch eens iets beters dan limonade! Ik hoor het hem nog zeggen …’
Terug naar 1958, het jaar waarop mijn hersenen wakker schoten. Het jaar van mijn allereerste herinnering …
… Mijn moeder en ik buiten op straat. Zij gaat met de fiets om boodschappen, ik mag mee. Feest! Een snoepje bij de bakker, een sneetje salami bij de slager, een kers bij mijn grootmoeder (mit Statie) die naast kruidenierswaren ook groenten en fruit verkocht.
… Mijn moeder zet me achter op de fiets, gewoon op de bagagedrager. Ik weet niet of er toen al kinderzitjes bestonden, maar wij hadden er in elk geval geen. Het was ongetwijfeld al ettelijke keren goed gegaan, maar nu gaat het fout. Mijn voet komt vast te zitten tussen de spaken.
… Gebrul van mijn kant!
… Een ‘doeme toch!’ van ons moeder.
… Alle buren buiten, en mijn pa in alle staten. Hij was teerhartig, kon er niet tegen als iemand pijn of verdriet had.
… Op dat moment passeert de ijskar. Van De Walle. Ze noemden hem ‘Van Walleke’. Een gele ijskar, getrokken door een paard, waardoor het ijs een boerderij-aroma kreeg. Zaligheid in het kwadraat. Voor één frank kreeg je een grote schep in een horentje. Voor vijf frank had je een portie waar je een week zoet mee was. Niemand kocht ooit voor vijf frank ijs, maar mijn pa deed het wel. Om me te troosten.
… Ik bleek niet te troosten, maar zoals dat gaat met pijn, verdwijnt die vaak vanzelf. Volgens mijn moeder duurde het een halve dag voor ik weer ‘normaal’ deed. En toen … toen kreeg ik zin in het ijsje dat ik uren daarvoor niet had gewild.
… Helaas … mijn pa had het opgegeten.
En ja, NU snap ik absoluut dat het niet anders kon. We hadden geen diepvries, geen ijskast. Had hij het niet opgegeten, dan was het gewoon weg gedruppeld tussen de kasseien.
… Het kind dat ik toen was, had minder begrip.
… Volgens ons ma was het de slechtste dag die ze ooit met mij had gehad. ‘Hoewel ge in uw puberteit ook wel het bloed vanonder mijn nagels vandaan kon halen.’
Dat is voor later…