Reizen en zo – 24

De ingang van onze tijdelijke voortuin wordt geblokkeerd door een Mercedes. We wringen ons erlangs, besluiten buiten nog even na te genieten met een glas wijn. We zitten er nog geen vijf minuten als van achter de hoek een man op ons komt afgelopen. Of dat onze kar is, vraagt hij in Hollands Frans. ‘Nou, nee,’ zegt Didier, ‘de onze staat een eindje verderop.’ Zijn stem klimt en daalt tegen de Vlaamse regels in. Hij kan het niet laten; als hij Hollands hoort, doet hij mee. Zeven wordt zeuven, tram wordt trem, fruitsap wordt jusderans. Spuuglelijk!
… De man barst uit in een lange tirade. Dat die klojo er al meer dan een uur staat, dat hij het leven van anderen hypothekeert (ja, zo zegt hij het écht!) en dat er zware straffen zouden moeten staan op zo’n onverantwoordelijk gedrag. Zijn vrouw is er intussen ook bij komen staan. Bij alles wat haar man zegt, gaat haar hoofd heftig op en neer, en bij elke neergaande beweging kijkt ze op haar horloge.
… ‘Moeten jullie dringend weg?’ vraag ik.
… ‘Weg?’ zegt de vrouw. ‘Waar zouden we heen moeten? Nee, joh. We willen ons karretje veilig hier zetten, en dan lekker naar bed. Serietje kijken.’
… ‘Hier parkeren?’ vraag ik. ‘Hoe dan? Hier is toch geen plaats?’
… De vrouw kijkt van mij naar haar man, van Didier naar mij, en dan naar het voortuintje. Tussen de picknicktafels is er plek voor één auto, en die plek is al ingenomen. ‘Nou breekt mijn klomp,’ zegt de man. ‘Ze heeft nog gelijk ook. Er is hier geen parkingplaats. Nu nog mooier. We kunnen onze wagen niet op straat laten staan. Dit is wél Frankrijk, hé! Weet je wat, ik bel de verhuurder. Kan die het oplossen. Maybel, heb jij dat nummer ergens zitten?’
… ‘Nou, nee, ik dacht …’
… ‘Hier.’ Ik toon het hem op mijn telefoon.
… Er wordt vrijwel direct opgenomen. ‘Oui?’
… Het gesprek dat volgt, is een giller. ‘Wel mesjeu, je voulez parking ma voiture, et c ‘est niet mogelijk pourquoi …’
… Het antwoord hoor ik niet, maar nog geen minuut later komt er uit de deur van de kelderetage een heer in maatpak, smartphone in de hand. Het blijkt de eigenaar. ‘Puis-je vous aider?’
… De Hollander stopt zijn telefoon in zijn zak, haalt diep adem en steekt van wal, geholpen door zijn vrouw. Haar Frans is zo mogelijk nog slechter dan het zijne. Didier en ik hebben alle moeite om ons serieus te houden. De heer in pak gaat er steeds beduusder uitzien. Na een volle minuut gewauwel wendt hij zich tot Didier. Of meneer weet welke taal die mensen spreken? Of meneer hen kan verstaan? Wat het probleem is? Didier gniffelt en vertaalt – in beide richtingen.
… ‘De enige parkeerplaats,’ zegt hij, ‘hoort bij het grootste appartement, het duurste. Andere huurders worden verondersteld op straat te parkeren.’
… Het koppel druipt morrend af. Dat het altijd hetzelfde is met die Fransen. Geen manieren! Wij drinken ons glas leeg.
… Mensen en hun auto’s … het is me wat!
(wordt vervolgd)