Reizen en zo – 18

De volgende morgen komt Marc afscheid nemen. Waar we heengaan, vraagt hij.
…‘Naar La Rochelle, met een tussenstop in La-Roche-sur-Yon.’
…‘Dooie boel daar. La Rochelle is een prachtstad, en vergeet Île de Ré niet. Daar reis je in de tijd.’
…Deze keer slaan we zijn goede raad in de wind. We stoppen toch in La-Roche-sur-Yon. Er valt inderdaad niets te beleven. Saai, grijs en koel. Het werk van Napoleon, naar het schijnt. Hij zou zich moeten schamen!
Op weg naar de kust rijden we door het Parc naturel du Marais Poitevin, na de Camargue het grootste waterrijke gebied van Frankrijk, het groene Venetië. Ergens halverwege, op een lange, rechte weg, afgezoomd met populieren, steken we een veertiger met een rolkoffertje voorbij. Hij draagt een pak met das, ziet hoogrood van de hitte, en trekt met zijn rechterbeen. ‘Hoe komt die hier?’ vraagt Didier. ‘Ik heb al kilometers geen huis gezien.’
…In de zijspiegel zie ik hoe de man met zijn mouw het zweet van zijn voorhoofd veegt. ‘Zullen we hem meenemen?’ vraag ik. ‘Seffens stuikt hij in elkaar.’
…Didier rijdt een stukje achteruit. Ik gooi mijn deur open. Of meneer soms een lift wil? De man kijkt naar de rommel op de achterbank, twijfelt even, knikt dan van ja. ‘Oui, S’il vous plaît!’ Hij schuift onze koelbox en de zak met reserveschoenen opzij, en gaat zitten. Zijn koffertje neemt hij op schoot.
…‘Vous avez l’air fatigué,’ zeg ik. Marché loin?’
…‘Weer op zoek naar een verhaal?’ fluistert Didier.
…De man heeft zijn ogen gesloten, ademt zwaar in en uit, ik geef niet op. ‘Voulez-vous de l’eau?’
…‘Oui, S’il vous plaît!’
…Ik zeg hem dat er water in de koelbox zit. Hij neemt een flesje, drinkt het helemaal leeg, gaat rechtop zitten. En ja, hoor, hij begint te praten. Zes kilometer heeft hij gestapt. Zijn vriendin heeft hem buitengezet. Dat koffertje is het enige wat hij nog heeft. Ik krijg instant compassie, en tegelijkertijd heb ik het gevoel dat er iets niet klopt. Het heeft te maken met de blik in zijn ogen, al kan ik niet precies zeggen wat daar mis mee is. ‘Waarom, vraag ik (in het Frans uiteraard). Wat is er gebeurd? Waarom moest je weg?’
…Didier doet teken dat ik moet ophouden, en excuseert zich in mijn plaats. ‘Désolé, c’était indiscret.’
…De man kijkt van hem naar mij, van mij naar hem. Weer terug. ‘Ze vertrouwt me niet,’ zegt hij in onvervalst Hollands, en ze heeft gelijk.’ Hij grijnst. ‘Mijn vriendin kwam erachter dat ze niet de enige is in mijn leven. Ik zei haar dat ik niet naar Frankrijk ben verhuisd om monogaam te leven. Nou, daar was ze niet blij mee.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Zet me maar af in het volgende dorp. Daar ken ik iemand waarmee … Laat maar …’ De rest van de rit verloopt in stilte.
…Drie kilometer verderop droppen we hem onder de kerktoren. Hij is voorwaar zo beleefd om te vragen wat hij ons schuldig is. ‘Hou je geld maar,’ zeg ik, ‘je zal het kunnen gebruiken.’
…Hij lacht, klapt zijn koffertje open. Het zit stampvol bankbiljetten! Nog voor ik iets kan zeggen – eerlijk, ik vond geen woorden, kon zelfs niet denken – gooit hij het portier open, en verdwijnt in de kerk.
Wie de man was, hoe hij aan dat geld kwam, of we ons leven riskeerden door hem mee te nemen? Allemaal vragen waarop ik geen antwoord heb. Ik wilde hem achterna, Didier vond dat te gevaarlijk. Allicht had hij overschot van gelijk.
(wordt vervolgd)