Tureluurster/ mei 29, 2019/ Schrijftips/ 2 commentaren

Ze kijkt op van het manuscript, neemt een slok koffie. Er gloeit moordzucht in haar ogen.
‘Je haalde bijna een derde weg’, zegt ze. ‘Van 360 bladzijden naar 250, en bij de helft van mijn zinnen maak je opmerkingen. Taal hier, taal daar, vervoegingen, perspectief. Wat moet ik met die bullshit? Word je daar opgewonden van, van mensen koeioneren?’
Ik wik mijn woorden, slik ze tenslotte in. Een vaag schuldgevoel steekt de kop op. Ik weet hoe het voelt om afgekraakt te worden. Al die weken, maanden, jaren … voor niets.
‘Weet je hoelang ik hieraan gewerkt heb,’ raast ze door. ‘De hele vakantie. Bijna tien dagen! Tien verdomde dagen. Je kan de pot op!’ Ze grist haar papieren van tafel en beent de kamer uit.
Nog voor de deur achter haar dicht valt, is mijn schuldgevoel foetsie. Letterkakkers verdienen geen compassie!

Ze zullen vast wel bestaan, schrijvers die even snel denken als ze typen, schrijvers die meteen de juiste woorden vinden, schrijvers zonder twijfels. Zelf ben ik ze nog niet tegengekomen. Ik weet zelfs niet of ik dat wil.
Nee, geef mij maar Peter Verhelst, die me onlangs vertelde dat hij soms al blij is met één goed geplaatste komma. Of Anne Provoost, een grote madam! In het stukje interview hieronder slaat ze – naar mijn aanvoelen – de nagel op de kop.

‘Zelf ben ik ervan overtuigd dat schrijven vooral een ambachtelijke bezigheid is, een bewuste omgang met articulatie, met stilte, met pauze die vertrekt vanuit één punt: een honger die zich niet met nietszeggendheid laat stillen.

Schrijvers zijn geen personen die tomeloos woorden afscheiden, waar gedachtes uit opborrelen om met de lezer te worden gedeeld. Schrijvers zijn net het omgekeerde: zwarte gaten, sterfputten waar alle gedachtes in verdwijnen. Hun kunst ligt in het weerhouden, in het niet vertellen wat ze willen zeggen. Wat overblijft is een verhaal met een begin, een midden en een eind, en een uiterlijke vorm die interpretatie mogelijk maakt in plaats van vast klinkt. Fileerwerk en métier.

Mensen vragen me waarom het zo lang duurt voor ik een roman af heb. De verhalen komen snel, de woorden ook. Een hoop werk gaat in het beslissen of ik een verhaal in de tegenwoordige of in de verleden tijd zal schrijven. Ik maak versies van de twee mogelijkheden en vergelijk het effect. Dan moet het besluit over het vertelstandpunt nog vallen. Wat de lezer nooit te zien krijgt zijn de manuscripten in mijn lades waarvoor ik nooit de goede vorm heb kunnen vinden.

Een boek schrijven is een act van communicatie. Net als vele andere schrijvers ben ik altijd bang om onleesbaar te worden. Ik zou niet schrijven als er geen lezers waren. Zodanig impliciet schrijven dat de lezer me niet meer volgt, is niet mijn ambitie. Daarom wil ik weten wat de grenzen zijn: hoeveel lacunes kan je toestaan, hoe fiks mag je stropen voor je onbegrijpelijk wordt? Het zijn vragen die ik me bij mijn debuut niet stelde. Ik stel ze nu, zoveel geschrapte woorden later.’

 

 

Anne Provoost (1964) schrijft zowel voor jongere als oudere kinderen. Ze gaat de moeilijke onderwerpen niet uit de weg. Haar debuut Mijn tante is een grindewal gaat over incest. Ze herschreef en bewerkte het verhaal talloze keren. Het leverde haar de Boekenleeuw op.

 

 

 

Deel dit bericht

  1. Ik voel me plots veel beter over het feit mezelf de traagste schrijver te vinden die ik ken. Misschien ken ik er gewoon niet genoeg.

    1. Ik durf erom te wedden dat ik trager ben dan jij, Tom enne … ik ben nog lang niet de traagste. Je verkeert dus in goed gezelschap …

Reageer hier